Spannende doelgroepen en ontwikkelingen in de Schematherapie

Jorinde Derrix
De Viersprong

Tags doelgroep

Volwassenen

Tags thematiek en problematiek

Persoonlijkheidsstoornissen, Psychoses, Forensisch, Eetstoornissen en obesitas

Beknopte samenvatting van het symposium

In dit symposium nemen vier onderzoekslijnen je mee naar de grenzen van wat we op dit moment weten over schematherapie en naar de plekken waar het spannend wordt. We presenteren zowel concrete onderzoeksresultaten als ambitieuze studies die nog in uitvoering zijn, maar nu al laten zien waar de volgende stappen in het veld liggen.

Modusnetwerken bij persoonlijkheidsstoornissen
We starten met een onderzoek dat onverwachte inzichten oplevert in de modusnetwerken van borderline, vermijdende en obsessief‑compulsieve persoonlijkheidsstoornissen. Hoewel de gemiddelde modusintensiteit per persoonlijkheidsstoornis verschilt, blijken de onderliggend netwerken verrassend veel op elkaar te lijken. Deze bevinding roept interessante vragen op: kan een netwerk-geïnformeerde aanpak onze behandelingen verbeteren?

Schematherapie bij psychosegevoeligheid
We gaan verder met een onderzoek dat ten tijde van het congres net begonnen is: State-of-the-art schematherapie voor mensen met psychosegevoeligheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis. In de presentatie staan we stil bij waarom het zo belangrijk is dat we deze spanning opzoeken en wat we al weten over schematherapie bij mensen met psychose.

Schema’s en modi bij anorexia nervosa
Daarna belichten we een onderzoek naar schema’s en modi bij eetstoornissen; kan een apart schema- en/of modusprofiel worden vastgesteld bij anorexia nervosa, t.o.v. boulimia nervosa/eetbuistoornis? Hoe kunnen we met deze uitkomsten de behandeling in de klinische praktijk verbeteren voor patiënten met anorexia nervosa? En hoe ziet schematherapie behandeling eruit bij anorexia nervosa?

Schematherapie bij agressie in de forensische praktijk
Tot slot richten we ons op de rol van schematherapie binnen de forensische GGZ, waar deze behandeling in toenemende mate wordt toegepast, terwijl onderzoek naar het effect op agressief gedrag nog beperkt is. In deze bijdrage presenteren we de opzet van een studie naar kortdurende, experiëntiële schematherapie bij forensische poliklinische cliënten met persoonlijkheidsstoornissen. Daarnaast bespreken we ervaringen uit de klinische praktijk en de uitdagingen bij het opzetten van wetenschappelijk onderzoek binnen deze complexe en vaak als spannend ervaren doelgroep. Wat vraagt dit van behandelaren en van onderzoekers?

Lezingen symposium

Jorinde Derrix
De Viersprong

Kernwoorden

Netwerkanalyses, modusmodel, persoonlijkheidsstoornissen

Introductie

Schematherapie is een bewezen effectieve behandeling voor persoonlijkheidsstoornissen. De modustheorie vormt daarbij een stevig fundament: er is overtuigend bewijs voor de modustheorie en we weten inmiddels veel over afzonderlijke modi en hun relatie tot specifieke stoornissen. Maar opvallend genoeg weten we nog maar weinig over hoe die modi met elkaar samenhangen in een netwerk. Juist die onderlinge dynamiek kan waardevolle handvatten bieden om behandelingen verder te verfijnen.

Netwerktheorie en modustheorie
De netwerktheorie sluit naadloos aan bij de modustheorie. Waar schematherapie spreekt over modi die elkaar activeren en in stand houden, beschouwt de netwerktheorie psychische problemen als een web van elkaar onderling beïnvloedende symptomen. Beide theorieën benadrukken dat stoornissen voortkomen uit dynamische interacties tussen klachten, emoties en gedragingen.

Onderzoek naar schema- en modusnetwerken
Hoewel er al enkele studies zijn gedaan naar schema- en modusnetwerken, ontbreekt nog kennis over een cruciale vraag: verschillen modusnetwerken eigenlijk tussen persoonlijkheidsstoornissen? Als dat zo is, zou dat belangrijke aanwijzingen kunnen geven voor nog gerichtere en effectievere behandelingen.

Waarom dit belangrijk is
Wanneer we weten welke modi centraal staan in een stoornis — of welke interacties het meest ontwrichtend zijn — kunnen therapeuten hun interventies veel preciezer inzetten. Dat kan leiden tot kortere trajecten, betere resultaten en een scherper begrip van wat een behandeling écht in beweging zet.

Onderzoek bij De Viersprong
Bij De Viersprong onderzochten we met netwerkanalyses de modusnetwerken van drie persoonlijkheidsstoornissen: borderline, vermijdende en obsessief‑compulsieve persoonlijkheidsstoornis.

Materiaal en methodes

In een cross-sectioneel design vergeleken we de netwerkstructuren van modi (gemeten met de startmeting van de SMI) tussen deze drie groepen patiënten.

Resultaten

De groepen verschilden duidelijk in gemiddelde modusintensiteit, maar-  en dit was onverwacht- hun modusnetwerken bleken opvallend gelijk. De overlap in interactiepatronen tussen modi nodigt uit tot verdere reflectie op hoe gedeelde modusdynamieken en diagnose-specifieke aanpassingen zich tot elkaar verhouden.

Discussie en conclusie

Hoewel de bevindingen richting geven, kent dit onderzoek duidelijke beperkingen. Het cross‑sectionele design bijvoorbeeld laat geen uitspraken toe over verandering of causaliteit.

Klinische implicaties

De bevindingen zetten aan tot nadenken: moeten we in behandeling vooral focussen op de hoogst scorende modi per stoornis, of juist op de meest ontwrichtende verbindingen binnen het netwerk? Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of een netwerk‑geïnformeerde aanpak schematherapie verder kan versterken.

Referenties en literatuur

Derrix, J., Zarchev, M. Z., van Eeren, H., & van Geffen, M. (n.d.). Schema mode networks for borderline, avoidant and obsessive-compulsive personality disorder. Manuscript submitted for publication.
Aalbers, G., Engels, T., Haslbeck, J. M. B., Borsboom, D., & Arntz, A. The network structure of schema modes. Clinical Psychology & Psychotherapy/Clinical Psychology and Psychotherapy. 2021; 28(5), 1065–1078. https://doi.org/10.1002/cpp.2577

Berber van der Vleugel
De Viersprong

Kernwoorden

Psychose, zorginnovatie, onderzoek

Introductie

De Zorgstandaard Psychose benadrukt dat psychose op zichzelf geen contra-indicatie is voor de behandeling van comorbide problemen en dat de zorgstandaard of richtlijn voor een comorbide stoornis ook gevolgd dient te worden. Hoewel de Zorgstandaard Persoonlijkheidsstoornissen stelt dat bij een borderline persoonlijkheidsstoornis (BPS) psychotherapie aangewezen is en dat de hoogspecialistische GGz kan adviseren bij complexe casuïstiek en zo nodig behandeling kan overnemen, is de praktijk vaak dat instellingen die psychotherapie voor mensen met BPS aanbieden psychose als contra-indicatie hanteren.
Bij de Viersprong bieden we mensen met BPS intensieve ambulante schematherapie (ST) gebaseerd op Farrell & Shaw, met in het hoofdtraject wekelijks zowel groeps- als individuele therapie gedurende een jaar, waarbij de behandeling op indicatie tweemaal met 3 maanden verlengd kan worden. De inrichting van dit zorgpad is in lijn met recente bevindingen dat het effect van groeps ST bij persoonlijkheidsstoornissen groter is dan dat van individuele ST (Zhang et al., 2023) en dat gecombineerde individuele en groeps ST superieur is aan primaire groepstherapie in het verminderen van BPS symptomen, het aantal suïcidepogingen en het aantal behandel-dropouts (Arntz et al., 2022). Derhalve willen we met deze pilot nagaan of het haalbaar is ons state-of-the-art behandelprogramma te ontsluiten voor mensen met BPS én een comorbide psychotische stoornis.

Materiaal en methodes

Het betreft een prospectief cohort design waarin een groep volwassen cliënten in een klinische praktijkcontext wordt gevolgd. Zij zijn en blijven voor de psychosebehandeling in zorg bij een SGGZ instelling en worden voor aanvullende behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek verwezen naar de Viersprong, locatie Amsterdam. Er vindt geen randomisatie plaats, en de gegevensverzameling is qua vorm, inhoud en procedure zoals gebruikelijk.

Resultaten

In september 2026 hebben de verwijzingen, intakes en kennismakingsgesprekken plaatsgevonden en zullen de behandelingen starten.

Discussie en conclusie

In deze presentatie wordt op een rijtje gezet wat op basis van literatuuronderzoek bekend is over de relevantie, toepassing, haalbaarheid en effecten van schematherapie bij mensen met psychose. Eventuele wetenswaardigheden uit de verwijs- en intakeperiode zullen worden vermeld.

Klinische implicaties

Deze pilot beoogt meer inzicht te geven in de haalbaarheid, effectiviteit en veiligheid van intensieve ambulante schematherapie bij mensen met een psychotische stoornis die voor aanvullende behandeling van persoonlijkheidsproblematiek worden verwezen.

Referenties en literatuur

  1. Zhang, K., Hu, X., Ma, L., Xie, Q., Wang, Z., Fan, C., & Li, X. (2023). The efficacy of schema therapy for personality disorders: a systematic review and meta-analysis. Nordic Journal of Psychiatry, 77(7), 641–650. doi: 10.1080/08039488.2023.2228304
  2. Arntz, A., Jacob, G. A., Lee, C. W., Brand-de Wilde, O. M., Fassbinder, E., Harper, R. P., Lavender, A., Lockwood, G., Malogiannis, I. A., Ruths, F. A., Schweiger, U., Shaw, I. A., Zarbock, G., & Farrell, J.M. (2022). Effectiveness of predominantly group schema therapy and combined individual and group schema therapy for borderline personality disorder: a randomized clinical trial.JAMA Psychiatry, 79(4), 287-299. doi:10.1001/jamapsychiatry.2022.0010

Inge Versteeg
PsyQ

Kernwoorden

Eetstoornissen, schematherapie, anorexia nervosa

Introductie

Over de etiologie van anorexia nervosa (AN) is weinig bekend en er is behoefte aan meer begrip van de processen onderliggend aan de stoornis en een bijbehorend theoretisch model (van den Berg et al., 2019) dat zou kunnen bijdragen aan verbetering van de behandeling van AN: de huidige behandelingen zijn bij AN namelijk veel minder effectief dan voor boulimia nervosa (BN) en binge eating disorder (BED. Mogelijk biedt schematherapie kansen bij de complexe AN-problematiek.
Eerder werk van Maher et al. (2022) biedt een overzicht van schema’s bij eetstoornissen. In een recent afgeronde studie onderzochten we de verschillen in schema’s en modi tussen patiënten met AN en patiënten met BN/BED, om zo de associatie tussen eetstoornis-subtype en -gedrag, en stoornis-specifieke schema’s en modi te onderzoeken. In deze presentatie wordt besproken welke schema’s en modi specifiek voor patiënten met AN lijken, en op welke wijze schematherapie kan worden toegepast bij deze doelgroep.

Materiaal en methodes

De relatie tussen specifieke eetstoornispathologie en uitkomsten op twee schemavragenlijsten is onderzocht. Met een op maat gemaakt schematherapie protocol wordt behandeling ingezet en nauwkeurig gemonitord middels een multiple baseline case series design.

Resultaten

Dataverzameling is afgerond. Data-analyse vindt de komende periode plaats. De belangrijkste uitkomsten zullen gepresenteerd worden, evenals de implicaties daarvan voor de klinische praktijk.

Discussie en conclusie

De lezing biedt een overzicht van de studie naar schema’s en modi in functie van eetstoornispathologie. Is het schema-/modusprofiel van AN anders dan die van BN/BED? Biedt dit aanknopingspunten ter inzicht in etiologie en ter verbetering van de behandeling van AN? Hoe wordt schematherapie ingezet bij een hardnekkige en ernstige stoornis als AN?

Klinische implicaties

In de klinische praktijk is bekend dat de pathologie bij AN verschilt t.o.v. BN/BED. Toch worden eetstoornissen behandeld vanuit een transdiagnostisch model uitgaande van gemeenschappelijke pathologie. Meer inzicht en differentiatie op de verschillende aspecten van eetstoornissen, i.e. AN, kan behandeleffectiviteit vergroten bij patiënten met AN. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek naar AN-specifieke schema’s en modi, kan schematherapie bij deze doelgroep gerichter worden ingezet.

Referenties en literatuur

Maher, A. L., Cason, L., Huckstepp, T., Stallman, H. M., Kannis-Dymand, L., Millear, P.,Allen, A. (2022). Early maladaptive schemas in eating disorders: A systematic review. European Eating Disorders Review, 30(1), 3-22.
van den Berg, E., Houtzager, L., de Vos, J., Daemen, I., Katsaragaki, G., Karyotaki, E., Dekker, J. (2019). Meta-analysis on the efficacy of psychological treatments for anorexia nervosa. Eur Eat Disord Rev, 27(4), 331-351. doi:10.1002/erv.2683

Nannie Faber
De Forensische Zorgspecialisten

Kernwoorden

forensische GGZ, delictgedrag, agressie, onderzoek

Introductie

In de forensische GGZ is het belangrijkste doel delictgedrag te verminderen. Persoonlijkheidsstoornissen komen veel voor, vergroten het risico op agressie en bemoeilijken behandeling. Diepgewortelde negatieve overtuigingen over zichzelf, anderen en de wereld kunnen delictgedrag in stand houden en de therapeutische relatie compliceren. Schematherapie wordt steeds vaker toegepast binnen de forensische setting en sluit hier goed bij aan. Onderzoek suggereert dat schematherapie therapietrouw en behandelresponsiviteit kan verbeteren, gedragsproblemen kan verminderen en recidiverisico kan terugdringen (Bernstein et al., 2021). Daarnaast groeit het bewijs voor de effectiviteit van kortdurende schematherapie in verschillende populaties, vooral wanneer experiëntiële interventies centraal staan (Wan-Vermeer et al., 2024). Onderzoek naar de effectiviteit op agressie in poliklinische forensische populaties is echter nog beperkt. Dit onderzoek richt zich op de vraag of kortdurende, experiëntiële schematherapie agressie bij forensische poliklinische cliënten met persoonlijkheidsstoornissen kan verminderen.

Materiaal en methodes

Het onderzoek wordt uitgevoerd bij 20 cliënten van forensische polikliniek de Waag, met een nonconcurrent multiple case series design (ABCA). De deelnemers doorlopen een baselinefase met standaardbehandeling, gevolgd door casusconceptualisatie en kortdurende experiëntiële schematherapie, waarna wordt teruggekeerd naar standaardbehandeling. Agressie, woede, recidiverisico en schemamodi worden herhaald gemeten gedurende het hele traject.

Resultaten

De dataverzameling start naar verwachting in de zomer van 2026. Resultaten zijn ten tijde van het congres nog niet beschikbaar.

Discussie en conclusie

De lezing biedt een overzicht van literatuur over schematherapie bij agressief delictgedrag, een toelichting op het onderzoeksdesign en eerste klinische ervaringen. Daarnaast wordt gereflecteerd op mogelijkheden en uitdagingen bij het opzetten van wetenschappelijk onderzoek binnen de forensische praktijk.

Klinische implicaties

Deze studie beoogt inzicht te geven of schematherapie, naast het verminderen van persoonlijkheidsproblematiek, agressie kan verminderen en woederegulatie verbeteren. De bevindingen kunnen bijdragen aan kortdurende, kosteneffectieve interventies binnen de forensische GGZ. Daarnaast biedt de lezing praktische handvatten voor het opzetten en implementeren van wetenschappelijk onderzoek, waaronder het ontwikkelen van een haalbaar behandelprotocol, het betrekken van behandelaren en het includeren van een moeilijk bereikbare doelgroep, die vaak als spannend wordt ervaren.

Referenties en literatuur

Bernstein, D. P., Keulen-de Vos, M. E., Clercx, M., De Vogel, V., Kersten, G. C., Lancel, M., Jonkers, P. P., Bogaerts, S., Slaats, M., Broers, N. J., Deenen, T. A. M., & Arntz, A. (2021). Schema therapy for violent PD offenders: a randomized clinical trial. Psychological Medicine, 1-15. https://doi.org/10.1017/S0033291721001161
Wan-Vermeer, R., Bouwmeester, S., & Starrenburg, A. (2024). Brief individual experiential schema therapy in adult outpatients with cluster C personality disorders: Does it work? Clinical Psychology and Psychotherapy, 31(1), e2948. https://doi.org/10.1002/cpp.2948