Wat als het spannend wordt bij leidinggevenden: schematherapie buiten de klinische setting
Niek Ludden
&Ludden
Kernwoorden
leidinggevenden, organisatiepsychologie, schemamodi, leiderschap, persoonlijkheid
Kennisniveau deelnemers
alle niveaus
Tags doelgroep
Volwassenen
Tags thematiek en problematiek
Transdiagnostisch, Overig
Workshop
Schematherapie wordt hoofdzakelijk toegepast binnen de klinische setting. Maar ook voor leidinggevenden heeft het veel toegevoegde waarde. Deze doelgroep functioneert over het algemeen goed en heeft een relatief sterke Gezonde Volwassene. De hulpvraag gaat over hardnekkige patronen die effectief leiderschap of persoonlijk welzijn in de weg staan. Schema’s en modi beïnvloeden leiderschapsgedrag en teamdynamiek, en daarmee psychologische veiligheid en organisatiecultuur.
De spreker werkt als vrijgevestigd NIP-geregistreerd organisatiepsycholoog met leidinggevenden in een niet-klinische setting, heeft de basis- en vervolgopleidingen schematherapie afgerond en is lid van de VSt.
Diagnostisch assessment vormt de basis: Big Five persoonlijkheid (NEO-PI-3), schema’s (YSQ-S3) en modi (SMI). Vanuit dat fundament wordt gewerkt aan patroonherkenning en gedragsverandering, met aandacht voor onvervulde basisbehoeften bij de leider en de doorwerking daarvan in de organisatie.
Wat opvalt in de praktijk: oudermodi en copingmodi zijn prominent aanwezig en herkenbaar in leiderschapsgedrag en teamdynamiek. Kindmodi lijken aanvankelijk minder op de voorgrond, maar spelen gedurende het traject een grotere rol dan cliënten hadden verwacht. Het Kwetsbare Kind botst soms met percepties over wat leiderschap inhoudt.
De Gezonde Volwassene is doorgaans relatief sterk, maar staat onder druk in de schaduw. Dat is het moment waarop het spannend wordt en copingmodi het overnemen. Het verlangen om de Blije Kind modus structureel meer ruimte te geven is een terugkerend thema.
De aanleiding is zowel probleem- als groeigedreven. Omdat de Gezonde Volwassene al redelijk sterk aanwezig is, wordt die direct als werkbasis gebruikt. Disfunctionele patronen doorbreken en functionele modi versterken lopen parallel.
Leerdoelen:
Deelnemers leren herkennen welke modi bij leidinggevenden prominent aanwezig zijn en hoe die leiderschapsgedrag en organisatiecultuur beïnvloeden. Ze verkennen wat schematherapeutisch werken met deze doelgroep oplevert voor de leider zelf en de organisatie.
Werkvormen:
Interactieve stellingen: deelnemers voorspellen per modus of deze hoog of laag scoort bij leidinggevenden, gevolgd door vergelijking met praktijkdata. Uitwisseling in kleine groepjes: deelnemers brengen een situatie in waarin zij een modus herkenden bij een leidinggevende of bij zichzelf in die rol, met plenaire terugkoppeling. Casuïstiek met plenaire dialoog: wat zien deelnemers, wat zouden zij doen, en wat gebeurde er feitelijk?
Literatuur
Aalbers, G., Engels, T., Haslbeck, J. M. B., Borsboom, D., & Arntz, A. (2021). The network structure of schema modes. Clinical Psychology & Psychotherapy, 28(5), 1065-1078.
Brockman, R., Simpson, S., Hayes, C., Van der Wijngaart, R., & Smout, M. (2023). Cambridge guide to schema therapy. Cambridge University Press.
Kraanen, F., Hesseling, M., & Van Eijbergen, R. (2025). Coachen vanuit de schematherapie. Boom.
Young, J. E., Klosko, J. S., & Weishaar, M. E. (2003). Schema therapy: A practitioner’s guide. Guilford Press.

