Cruciaal en complex: herverbinden wanneer het spannend wordt

Karlien Higler
Stichting Kiem, Karlien Coaching

Tags doelgroep

Volwassenen, Gezinnen en relaties

Tags thematiek en problematiek

Persoonlijkheidsstoornissen, Transdiagnostisch, Eetstoornissen en obesitas

Beknopte samenvatting van het symposium

Wanneer eetproblematiek de kop opsteekt, neemt de spanning direct toe—thuis, op school, tijdens het sporten en in de therapiekamer. Op die momenten is verbinding, een van de emotionele basisbehoeftes, harder nodig dan ooit. Wrang genoeg is het precies die verbinding die door een eetstoornis onder druk komt te staan. Een eetstoornis isoleert: het snijdt iemand af van een relatie met de buitenwereld. Dit isolement vergroot de machteloosheid bij zowel de betrokkene als de omgeving. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: hoe sterker de eetstoornis, hoe groter de kloof met het dagelijks leven, en hoe moeilijker de weg terug naar deelname aan de maatschappij. Om deze cirkel te doorbreken, startten we in 2025 Project Herverbinden. In samenwerking met ervaringsdeskundigen, naasten, GGZ-professionals en een sociaal ontwerpbureau hebben we onderzocht wat (her)verbinden precies inhoudt. Dit leidde tot vier essentiële stappen:

  1. (H)erkennen: Het belang van verbinding inzien en signaleren wanneer deze ontbreekt.
  2. Contact aangaan: De kloof willen overbruggen naar de ander.
  3. Gelijkwaardig delen: Het uitwisselen van ervaringen op basis van gelijkwaardigheid.
  4. Samen verder gaan: Samen verbinding structureel verankeren.

Tijdens dit symposium vertalen we deze stappen naar de (zorg)praktijk aan de hand van vier lezingen:

  • Lezing 1: Ervaringsprofessional A. Hoek en socioloog/ouder K. Higler delen hun persoonlijke ervaringen met verbinding binnen en buiten de behandelkamer. Wanneer was de verbinding voelbaar, wanneer ontbrak deze, en wat waren de gevolgen?
  • Lezing 2: Onderzoeker/GGZ-professional M. Maarschalkerweerd en K. Higler bespreken de (psychometrische) kwaliteiten van de Core Emotional Needs Inventory, een zelfrapportage vragenlijst die de ervaren vervulling van emotionele basisbehoeftes in belangrijke relaties in kaart brengt.
  • Lezing 3: Sociaal ontwerper L. de Haan en M. Maarschalkerweerd presenteren de resultaten van Project Herverbinden. De unieke kruisbestuiving tussen onderzoek, design en diverse vormen van ervaringsdeskundigheid bood deelnemers concreet handelsperspectief.
  • Lezing 4: In de afsluitende sessie slaan A. Hoek, K. Higler en M. Maarschalkerweerd de brug naar de klinische praktijk. Middels een schematherapeutische oefening, aangepast voor systemisch werken, ervaart u hoe de resultaten van het project direct toepasbaar zijn.

Lezingen symposium

Asli Hoek
Human Concern

Kernwoorden

samenwerking tussen patienten, naasten en de GGZ

Introductie

Herstel ontstaat niet in isolatie, maar in relatie — met ouders, vrienden, hulpverleners of ervaringsdeskundigen. Verbinding is niet een fase in herstel maar de rode draad waardoor veiligheid, rust en co-regulatie kunnen ontstaan. Maar hoe stimuleer je verbinding wanneer eetstoornisproblematiek juist tot isolatie leidt? Materiaal en methodes In deze lezing nemen ervaringsprofessional A. Hoek, en K. Higler, socioloog/ouder van een dochter met eetproblematiek, jullie mee in het proces van verlies van verbinding met jezelf en anderen gedurende het ontstaan, het hebben en het herstellen van eetproblematiek. Niet alleen bij de persoon met eetstoornisproblematiek maar ook bij naasten als partner of ouders. Resultaten Tijdens de lezing wordt duidelijk:

  • hoe contacten onder druk komen te staan en er een kloof kan ontstaan tussen jezelf en de omgeving;
  • dat herstel een grillig en persoonlijk is dat het hele gezin raakt maar vaak pijnlijk onzichtbaar blijft voor de omgeving;
  • dat spanning ontstaat omdat de sociale omgeving een essentiële partner is in herstel en
  • dat verbinding of het ontbreken daarvan invloed heeft op de relatie met de behandelaar en de behandeling.

Discussie en conclusie

A. Hoek en K. Higler delen vanuit hun ervaringsdeskundigheid momenten waarop verbinding aanwezig was en momenten waarop deze verbroken werd, inclusief de gevolgen hiervan.

Klinische implicaties

A. Hoek en K. Higler delen vanuit hun eigen ervaring de gevolgen van (verlies) van verbinding op patiënt, naasten en GGZ-professionals.

Referenties en literatuur

  • Lockwood G, Perris P. A new look at core emotional needs. In: van Vreeswijk M, Broersen J, Nadort M, editors. The Wiley-Blackwell handbook of schema therapy: Theory, research, and practice. Wiley Blackwell; 2012. p. 41–66.

Myrte Maarschalkerweerd
Human Concern

Kernwoorden

vragenlijst validering, behandelinnovatie, wetenschappelijk onderzoek

Introductie

Geestelijke gezondheid draait om het vermogen je aan te passen aan de uitdagingen van het leven. Voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis (PS) is dit aanpassingsvermogen chronisch aangetast, wat ingrijpende gevolgen heeft voor hunzelf, hun naasten en hun sociale omgeving. Passende zorg voor mensen met een PS is daarom van groot belang. Hoewel er diverse evidencebased behandelingen beschikbaar zijn voor mensen met een PS, blijft verdere ontwikkeling van de behandeling van mensen met een PS noodzakelijk. Het wordt namelijk spannend binnen de GGZ: de druk op de GGZ neemt de komende jaren toe door een groeiende zorgvraag, terwijl personele en financiële middelen juist schaarser worden. Om de zorg voor mensen met een PS niet in het gedrang te laten komen is behandelinnovatie hard nodig. De huidige tendens voor innovatie is om behandelingen te richten op het aanpakken van onderliggende mechanismen van persoonlijkheidsproblematiek. Veel onderzoekers en clinici stellen dat PS-symptomen voortkomen uit onvervulde emotionele basisbehoeften. Het vervullen van deze behoeften zou de emotieregulatie en het interpersoonlijk functioneren aanzienlijk verbeteren. Opvallend genoeg ontbreken instrumenten om deze behoeftevervulling te meten in klinisch onderzoek. Om dit gat te dichten is de Core Emotional Needs Inventory (CENI) ontwikkeld: een zelfrapportagevragenlijst die de vervulling van emotionele basisbehoeften binnen belangrijke relaties in kaart brengt. De CENI zou een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van effectieve (preventieve) behandeling van PS. Voordat de CENI deze rol kan vervullen is een evaluatie nodig van de psychometrische kwaliteiten. In deze lezing nemen M. Maarschalkerweerd (onderzoeker en senior schematherapeut) en K. Higler (socioloog en ervaringsdeskundige ouder) u mee in de resultaten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit van 4 verschillende versies van de CENI.

Materiaal en methodes

De psychometrische evaluatie van de CENI is gebaseerd op data van drie onderzoeksprojecten. Project 1 is een RCT naar de effectiviteit van (groeps)schematherapie bij patiënten met een Borderline-persoonlijkheidsstoornis (BPS) (Arntz. et al., 2022). Het verkrijgen van data voor de psychometrische evaluatie van de CENI was een secundair doel van dit project. 542 BPS patiënten uit zes landen namen deel aan dit onderzoek. Exclusiecriteria waren recente behandeling middels schematherapie en comorbiditeit met enkele specifieke stoornissen. Tijdens het project werden op zes momenten interviews en computergestuurde vragenlijsten afgenomen bij de deelnemers. Voor de huidige evaluatie van de CENI zijn de baseline en follow-up (na 6 maanden) gegevens gebruikt van de CENI, en de baseline gegevens van de World Health Organization Adult ADHD Self-Report Scale (WHO ASRS), de Social and Occupational Functioning Assessment Scale (SOFAS), de Work and Social Adjustment Scale (WSAS), de verkorte versie van de Young Schema Questionnaire (YSQshort form), de Relationships Scales Questionnaire (RSQ), en de verkorte versie van de World Health Organization Quality of Life questionnaire (WHOQOL-short version) Project 2 is een observationele studie van studenten van de Universiteit van Amsterdam (UvA), gericht op het verband tussen jeugdtrauma en BPS-kenmerken. Het verkrijgen van data voor de evaluatie van de CENI was een secundair doel van dit project.Een niet-klinische internationale populatie van 199 deelnemers werd geworven via het netwerk van de studenten. Gegevens van verscheidene instrumenten werden in dit project eenmalig verzameld via een online applicatie. De data van de CENI, de YSQ-SF, en de RSQ werden gebruikt ter validatie van de CENI. Project 3 is eveneens een observationele studie van studenten van de UvA. Dit project was specifiek opgezet om de CENI te valideren bij een niet-klinische populatie. 169 Internationale deelnemers werden geworven via het netwerk van de studenten. Dit project bevatte een testhertest design, waarbij de CENI tweemaal werd afgenomen (bij baseline en na 12 weken). Overige instrumenten, waaronder de Basic Need Satisfaction in General Scale (BNSG-S), the Need Satisfaction Scale in Relationships (NSS), de RSQ, de YSQ-SF, en de WHOQOL-Short werden eenmalig afgenomen. Alle afnames waren computergestuurd en zijn gebruikt ter validatie van de CENI.

Resultaten

Verschillende versies van de CENI zullen worden geëvalueerd op interne betrouwbaarheid door het berekenen van de item-totaalcorrelaties (Pearson’s r), de interfactorcorrelaties (Pearson’s r) en de interne consistentie (McDonald’s omega). Voor deze berekeningen zullen de baseline-metingen op de CENI van zowel de patiëntenpopulatie (project 1) als de niet-patiëntenpopulaties (project 2 en 3) worden gebruikt. Een Pearson’s r tussen de 0.50 en de 0.90 en een McDonald’s omega van >0.70 zal worden beschouwd als indicatief voor een adequate interne betrouwbaarheid. De externe betrouwbaarheid van verschillende versies van de CENI zal worden beoordeeld door de correlatie (Pearson’s r) te berekenen tussen de totaal- en factorscores van de deelnemers op de CENI tijdens de voormeting (baseline) en de (eerste) follow-up. Hiervoor zullen gegevens uit project 1 (CENI bij baseline en na 6 maanden) en project 3 (CENI bij baseline en na 12 weken) worden gebruikt. Een Pearson’s r >0.40 zal worden beschouwd als indicatief voor een adequate externe betrouwbaarheid. Om informatie over de convergente validiteit van de CENI te verkrijgen zal de correlatie (Pearson’s r) worden berekend tussen de totaalscores en de factorscores van verschillende versies van de CENI en de totaalscores en factorscores van de BNSG-S, de NSS, de RSQ, de SOFAS, de WSAS, de YSQ-SF, en de WHOQOL-Short. Er wordt verwacht dat deze correlaties >0.40 (Pearson’s r). Informatie over de divergente validiteit zal worden verzameld door de correlatie te berekenen tussen de totaalscores en factorscores van verschillende versies van de CENI en de totaalscore van de WHO-ASRS, gebruikmakend van de data uit project 1 en 3. Een Pearson’s r van <0.40 duidt op een adequate divergente validiteit. Informatie over de known-groups validiteit zal worden verkregen door de scores van de patiëntenpopulatie op verschillende versies van de CENI (project 1, baseline) te vergelijken met de scores van de niet-patiëntenpopulaties op de verschillende versies van de CENI (project 2 en 3, baseline). Het verschil tussen de scores van deze groepen zal worden berekend middels t-toetsen van zowel de totaalscores als de factorscores. De verwachting is dat dit verschil significant zal zijn op het .01 niveau (Bonferroni-correctie).

Discussie en conclusie

Op basis van de resultaten van de statistische analyses (SPSS) zullen de (psychometrische) kwaliteiten van de verschillende versies van de CENI worden geëvalueerd en in (theoretische) context worden geplaatst.

Klinische implicaties

Indien de CENI over solide psychometrische kwaliteiten beschikt, zou deze bij kunnen dragen aan de ontwikkeling van effectieve (preventieve) behandelingen met langdurig resultaat.

Referenties en literatuur

Perris P, Young J, Lockwood G, Arntz A, Farrell J. Emotional Core Needs Inventory (ECNI). “Assessing experiences in close relationships”. cbti; 2009 Oct.

Arntz A, Jacob GA, Lee CW, Brand-de Wilde OM, Fassbinder E, Harper RP, et al. Effectiveness of predominantly group schema therapy and combined individual and group schema therapy for borderline personality disorder: A randomized clinical trial. JAMA Psychiatry. 2022 Apr 1;79(4):287–99.

Louis JP, Ortiz V, Barlas J, Lee JS, Lockwood G, Chong WF, et al. The Good Enough Parenting early intervention schema therapy based program: Participant experience. PLoS ONE. 2021 Jan 22;16(1):e0243508.

Lotte De Haan
Afdeling Buitengewone Zaken

Kernwoorden

ontwerpend onderzoek, gelijkwaardige samenwerking, (her)verbinden

Introductie

Een gevoel van verbondenheid met de sociale omgeving is essentieel voor het omgaan met een eetstoornis. De aard en de gevolgen van eetstoornissen maken het echter inherent moeilijk om aan deze behoefte aan verbinding te voldoen. Zowel patiënten als hun naasten worden geconfronteerd met complexe, veelzijdige uitdagingen in hun pogingen om verbinding te maken met elkaar en hun bredere sociale omgeving. Deze uitdagingen omvatten fysieke en psychische (co)morbiditeit, gevoelens van eenzaamheid, hopeloosheid en ontoereikendheid, problemen met sociaal functioneren en financiële druk. Project Herverbinden, ondersteund door het AGIS Innovatie Fonds, werd opgezet om een dieper inzicht te krijgen in deze uitdagingen en om mogelijkheden te identificeren om de broodnodige verbindingen te creëren en te versterken. Om dit te bereiken, werden ervaringsdeskundigheid, wetenschappelijk onderzoek en sociaal ontwerp gecombineerd in een unieke samenwerking.

Materiaal en methodes

20 Mensen met een huidige of vroegere ervaring met een eetstoornis, naasten van iemand met een eetstoornis, (ervarings)professionals in de GGZ en sociaal ontwerpers kwamen voor vijf cocreatieve sessies bijeen.

Resultaten

Tijdens de eerste twee bijeenkomsten deelden de deelnemers hun ervaringsdeskundigheid door middel van spelletjes, gezamenlijke maaltijden, ervaringsgerichte oefeningen en open en begeleide discussies. De verzamelde kwalitatieve gegevens bevestigden de diepe behoefte aan verbinding – met zichzelf, dierbaren en de bredere sociale omgeving. De volgende bouwstenen voor verbinding werden door de deelnemers geïdentificeerd:

  1. (H)erkennen: Het belang van verbinding inzien en signaleren wanneer deze ontbreekt.
  2. Contact aangaan: De kloof willen overbruggen naar de ander.
  3. Gelijkwaardig delen: Het uitwisselen van ervaringen op basis van gelijkwaardigheid.
  4. Samen verder gaan: Samen verbinding structureel verankeren.

Op basis van deze bouwstenen ontwierpen en testten de deelnemers in de volgende 3 bijeenkomsten verschillende interventies, instrumenten en gewoonten die gericht waren op het bevorderen van herverbinding in hun dagelijks leven.

Discussie en conclusie

Een waardevolle uitkomst van de ontwerpsessies was dat het co-creatieproces zelf als de meest betekenisvolle interventie werd beschouwd.

Klinische implicaties

Voortbouwend op deze bevinding zullen Herverbindings-cursussen voor patiënten, naasten en professionals in de geestelijke gezondheidszorg worden aangeboden door trainers (patiënten, naasten) met ervaringsdeskundigheid, professionals in de geestelijke gezondheidszorg (met ervaringsdeskundigheid) en sociaal ontwerpers. Via ervaringsgerichte oefeningen, begeleide discussies en ontwerpoefeningen willen de Herverbindings-cursussen deelnemers handvatten bieden om (opnieuw) verbinding te maken met hun sociale omgeving.

Referenties en literatuur

Outram C. The costs of eating disorders. Social, health and economic impacts. BEAT Beating eating disorders; 2015 Feb.

ActiZ. Integraal Zorg Akkoord. Samenwerken aan gezonde zorg. Zelfstandige Klinieken Nederland, Zorginstituut Nederland, Zorgthuisnl, Zorgverzekeraars Nederland, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, editors. IZA; 2022 Sep.

Myrte Maarschalkerweerd
Human Concern

Kernwoorden

schematherapieoefening, systemisch werken, verbindend samenwerken

Introductie

In deze lezing worden lessen uit project Herverbinden in de zorgpraktijk toegepast.

Materiaal en methodes

Een systeem wordt begeleid bij het opnieuw betekenis geven aan een negatief beladen situatie middels imagery rescripting

Resultaten

Het systeem geeft feedback op de imagery rescripting.

Discussie en conclusie

De feedback van het systeem en de oefening worden besproken in een discussie tussen M.Maarschalkerweerd en K.Higler. Worden de lessen vanuit project Herverbinden middels deze oefening opgepakt en heeft de oefening het gewenste effect?

Klinische implicaties

Op basis van de feedback en discussie wordt de oefening verder ontwikkeld.

Referenties en literatuur

Young JE. Schema therapy: A practitioners’ guide. New York: Guilford Press; 2003.