Myrte Maarschalkerweerd
Human Concern
Kernwoorden
vragenlijst validering, behandelinnovatie, wetenschappelijk onderzoek
Introductie
Geestelijke gezondheid draait om het vermogen je aan te passen aan de uitdagingen van het leven. Voor mensen met een persoonlijkheidsstoornis (PS) is dit aanpassingsvermogen chronisch aangetast, wat ingrijpende gevolgen heeft voor hunzelf, hun naasten en hun sociale omgeving. Passende zorg voor mensen met een PS is daarom van groot belang. Hoewel er diverse evidencebased behandelingen beschikbaar zijn voor mensen met een PS, blijft verdere ontwikkeling van de behandeling van mensen met een PS noodzakelijk. Het wordt namelijk spannend binnen de GGZ: de druk op de GGZ neemt de komende jaren toe door een groeiende zorgvraag, terwijl personele en financiële middelen juist schaarser worden. Om de zorg voor mensen met een PS niet in het gedrang te laten komen is behandelinnovatie hard nodig. De huidige tendens voor innovatie is om behandelingen te richten op het aanpakken van onderliggende mechanismen van persoonlijkheidsproblematiek. Veel onderzoekers en clinici stellen dat PS-symptomen voortkomen uit onvervulde emotionele basisbehoeften. Het vervullen van deze behoeften zou de emotieregulatie en het interpersoonlijk functioneren aanzienlijk verbeteren. Opvallend genoeg ontbreken instrumenten om deze behoeftevervulling te meten in klinisch onderzoek. Om dit gat te dichten is de Core Emotional Needs Inventory (CENI) ontwikkeld: een zelfrapportagevragenlijst die de vervulling van emotionele basisbehoeften binnen belangrijke relaties in kaart brengt. De CENI zou een belangrijke rol kunnen spelen in de ontwikkeling van effectieve (preventieve) behandeling van PS. Voordat de CENI deze rol kan vervullen is een evaluatie nodig van de psychometrische kwaliteiten. In deze lezing nemen M. Maarschalkerweerd (onderzoeker en senior schematherapeut) en K. Higler (socioloog en ervaringsdeskundige ouder) u mee in de resultaten van een onderzoek naar de betrouwbaarheid en validiteit van 4 verschillende versies van de CENI.
Materiaal en methodes
De psychometrische evaluatie van de CENI is gebaseerd op data van drie onderzoeksprojecten. Project 1 is een RCT naar de effectiviteit van (groeps)schematherapie bij patiënten met een Borderline-persoonlijkheidsstoornis (BPS) (Arntz. et al., 2022). Het verkrijgen van data voor de psychometrische evaluatie van de CENI was een secundair doel van dit project. 542 BPS patiënten uit zes landen namen deel aan dit onderzoek. Exclusiecriteria waren recente behandeling middels schematherapie en comorbiditeit met enkele specifieke stoornissen. Tijdens het project werden op zes momenten interviews en computergestuurde vragenlijsten afgenomen bij de deelnemers. Voor de huidige evaluatie van de CENI zijn de baseline en follow-up (na 6 maanden) gegevens gebruikt van de CENI, en de baseline gegevens van de World Health Organization Adult ADHD Self-Report Scale (WHO ASRS), de Social and Occupational Functioning Assessment Scale (SOFAS), de Work and Social Adjustment Scale (WSAS), de verkorte versie van de Young Schema Questionnaire (YSQshort form), de Relationships Scales Questionnaire (RSQ), en de verkorte versie van de World Health Organization Quality of Life questionnaire (WHOQOL-short version) Project 2 is een observationele studie van studenten van de Universiteit van Amsterdam (UvA), gericht op het verband tussen jeugdtrauma en BPS-kenmerken. Het verkrijgen van data voor de evaluatie van de CENI was een secundair doel van dit project.Een niet-klinische internationale populatie van 199 deelnemers werd geworven via het netwerk van de studenten. Gegevens van verscheidene instrumenten werden in dit project eenmalig verzameld via een online applicatie. De data van de CENI, de YSQ-SF, en de RSQ werden gebruikt ter validatie van de CENI. Project 3 is eveneens een observationele studie van studenten van de UvA. Dit project was specifiek opgezet om de CENI te valideren bij een niet-klinische populatie. 169 Internationale deelnemers werden geworven via het netwerk van de studenten. Dit project bevatte een testhertest design, waarbij de CENI tweemaal werd afgenomen (bij baseline en na 12 weken). Overige instrumenten, waaronder de Basic Need Satisfaction in General Scale (BNSG-S), the Need Satisfaction Scale in Relationships (NSS), de RSQ, de YSQ-SF, en de WHOQOL-Short werden eenmalig afgenomen. Alle afnames waren computergestuurd en zijn gebruikt ter validatie van de CENI.
Resultaten
Verschillende versies van de CENI zullen worden geëvalueerd op interne betrouwbaarheid door het berekenen van de item-totaalcorrelaties (Pearson’s r), de interfactorcorrelaties (Pearson’s r) en de interne consistentie (McDonald’s omega). Voor deze berekeningen zullen de baseline-metingen op de CENI van zowel de patiëntenpopulatie (project 1) als de niet-patiëntenpopulaties (project 2 en 3) worden gebruikt. Een Pearson’s r tussen de 0.50 en de 0.90 en een McDonald’s omega van >0.70 zal worden beschouwd als indicatief voor een adequate interne betrouwbaarheid. De externe betrouwbaarheid van verschillende versies van de CENI zal worden beoordeeld door de correlatie (Pearson’s r) te berekenen tussen de totaal- en factorscores van de deelnemers op de CENI tijdens de voormeting (baseline) en de (eerste) follow-up. Hiervoor zullen gegevens uit project 1 (CENI bij baseline en na 6 maanden) en project 3 (CENI bij baseline en na 12 weken) worden gebruikt. Een Pearson’s r >0.40 zal worden beschouwd als indicatief voor een adequate externe betrouwbaarheid. Om informatie over de convergente validiteit van de CENI te verkrijgen zal de correlatie (Pearson’s r) worden berekend tussen de totaalscores en de factorscores van verschillende versies van de CENI en de totaalscores en factorscores van de BNSG-S, de NSS, de RSQ, de SOFAS, de WSAS, de YSQ-SF, en de WHOQOL-Short. Er wordt verwacht dat deze correlaties >0.40 (Pearson’s r). Informatie over de divergente validiteit zal worden verzameld door de correlatie te berekenen tussen de totaalscores en factorscores van verschillende versies van de CENI en de totaalscore van de WHO-ASRS, gebruikmakend van de data uit project 1 en 3. Een Pearson’s r van <0.40 duidt op een adequate divergente validiteit. Informatie over de known-groups validiteit zal worden verkregen door de scores van de patiëntenpopulatie op verschillende versies van de CENI (project 1, baseline) te vergelijken met de scores van de niet-patiëntenpopulaties op de verschillende versies van de CENI (project 2 en 3, baseline). Het verschil tussen de scores van deze groepen zal worden berekend middels t-toetsen van zowel de totaalscores als de factorscores. De verwachting is dat dit verschil significant zal zijn op het .01 niveau (Bonferroni-correctie).
Discussie en conclusie
Op basis van de resultaten van de statistische analyses (SPSS) zullen de (psychometrische) kwaliteiten van de verschillende versies van de CENI worden geëvalueerd en in (theoretische) context worden geplaatst.
Klinische implicaties
Indien de CENI over solide psychometrische kwaliteiten beschikt, zou deze bij kunnen dragen aan de ontwikkeling van effectieve (preventieve) behandelingen met langdurig resultaat.
Referenties en literatuur
Perris P, Young J, Lockwood G, Arntz A, Farrell J. Emotional Core Needs Inventory (ECNI). “Assessing experiences in close relationships”. cbti; 2009 Oct.
Arntz A, Jacob GA, Lee CW, Brand-de Wilde OM, Fassbinder E, Harper RP, et al. Effectiveness of predominantly group schema therapy and combined individual and group schema therapy for borderline personality disorder: A randomized clinical trial. JAMA Psychiatry. 2022 Apr 1;79(4):287–99.
Louis JP, Ortiz V, Barlas J, Lee JS, Lockwood G, Chong WF, et al. The Good Enough Parenting early intervention schema therapy based program: Participant experience. PLoS ONE. 2021 Jan 22;16(1):e0243508.